Lerarenstaking

Het was weer zover, de leraren staakten vorige week. Twee dagen dit keer. Ik kan me voorstellen dat sommige mensen het een beetje zat beginnen te worden. Wij zelf eerlijk gezegd ook. We doen dit niet bepaald voor ons eigen plezier en in tegenstelling tot wat sommigen denken doen we dit ook niet omdat we zo graag wat extra geld over willen houden aan het eind van de maand. De politiek en de media helpen niet bepaald mee in de beeldvorming. Iedere keer vlak voor een staking doet de minister net alsof er een flink bedrag wordt vrijgemaakt voor het onderwijs, waardoor wij door de media worden afgeschilderd als rupsjes nooit genoeg, terwijl dit geld ofwel “sigaar uit eigen doos” blijkt te zijn, ofwel een eenmalig bedrag waarmee de problemen in het onderwijs niet kunnen worden opgelost.

Probleem

Wat zijn die problemen dan precies? Eigenlijk is er maar één groot probleem, met meerdere oorzaken, ernstige gevolgen en helaas niet één duidelijke oplossing: het lerarentekort. Er zijn simpelweg niet voldoende leerkrachten. Een probleem dat zich in ons land heeft gemanifesteerd door jarenlang wanbeleid, een probleem dat de komende jaren alleen nog maar groter gaat worden voordat het, hopelijk, met de juiste keuzes en investeringen, uiteindelijk weer beter kan worden. 

Oorzaken

De werkdruk speelt een grote rol in het lerarentekort. In het onderwijs zijn momenteel veruit de meeste burn-outs van alle beroepsgroepen: maar liefst 1 op de 5 leerkrachten krijgt te maken met een burn-out. Of werkdruk de oorzaak of het gevolg is van het lerarentekort is een beetje zoals de kip en het ei. Door de hoge werkdruk verlaten mensen het onderwijs en doordat we steeds minder mensen in het onderwijs hebben, wordt de werkdruk voor de resterende leerkrachten steeds hoger.
Waardoor wordt die werkdruk veroorzaakt? 

Luizenbaan
Mensen die zelf geen ervaring hebben in het onderwijs en niemand in hun omgeving hebben die lesgeeft, hebben vaak een zeer rooskleurig beeld van het leraarschap, we hebben immers zo vaak vakantie en de kinderen zijn toch al om 15u uit? Begrijp me niet verkeerd, leerkracht zijn is wat mij betreft het mooiste beroep dat er is en ik kan me nauwelijks voorstellen iets anders te doen. Maar het is geen luizenbaan. We beginnen uiterlijk 8u ’s ochtends (velen van ons nog wel wat eerder) en als de kinderen naar huis gaan, werken wij nog zeker twee uur door. Vervolgens nemen we ons werk mee naar huis, soms letterlijk in de vorm van nakijkwerk of rapporten schrijven, maar anders in ieder geval figuurlijk in de zin dat we thuis nog geregeld liggen te piekeren over wat we nog moeten regelen en over hoe we dat ene kind kunnen bereiken en over wat je toch beter had kunnen zeggen tegen die ene ouder. Dat doen we deels zelf natuurlijk, we willen het zo graag goed doen, voor de kinderen, hun ouders, voor collega’s. Ik kan soms best jaloers zijn op mensen die de deur achter zich dicht trekken en dan werk volledig los kunnen laten, maar deels wordt het ook van een betrokken en bevlogen leerkracht verwacht.

Erkenning
Een gebrek aan begrip en erkenning verhoogt deze werkdruk nog meer. Vroeger betekende het beroep leerkracht dat je aanzien had. Nu zeggen leerlingen ongegeneerd “Ik wil echt iets bereiken later, niet ‘maar’ leraar ofzo worden”. Deze breed gedragen opvatting wordt gereflecteerd in het salaris van een leerkracht. Ondanks hetzelfde opleidingsniveau verdient een leerkracht in het basisonderwijs 15% minder dan een leerkracht in het voortgezet onderwijs en een kwart minder dan andere gelijk geschoolden. Is ons werk dan minder belangrijk? Is ons werk minder moeilijk? Is ons werk minder zwaar? Ik durf op alle drie deze vragen een harde ‘Nee!’ te antwoorden. Dus waarom zouden we dan minder moeten verdienen? 

En dan heb je een minister van onderwijs (en een Annemarie van Gaal) die doodleuk zegt dat iedereen wel voor de klas kan. De buurman, je oma of de groenteboer op de hoek. Alsof het niets is. Alsof je geen enkele speciale vaardigheid nodig hebt om les te kunnen geven. Ik weet dat het een soort misplaatste poging is om meer mensen voor de klas te krijgen, maar het heeft het averechtse effect, want daardoor zien mensen het beroep van leerkracht niet meer als iets om trots op te zijn. Het is minder aantrekkelijk voor jongeren om voor het beroep te kiezen en de mensen die iedere dag hun ziel en zaligheid in hun onderwijswerk leggen voelen zich beledigd en ondergewaardeerd. Bovendien komen starters en zij-instromers van een koude kermis thuis als zij voor de klas staan en plots blijkt dat je, verrassend genoeg, toch wel bepaalde capaciteiten nodig hebt om de geweldige breinen van de toekomst te onderwijzen. Capaciteiten die toch niet iedere man of vrouw die het “leuk vindt om met kinderen te werken” bezit. Het percentage uitvallers onder starters en zij-instromers is dan ook gigantisch in het onderwijs. Ook dat draagt weer bij aan de werkdruk. Want de leerkrachten die dit al wat langer doen, proberen zo goed en zo kwaad als het gaat, naast de vele andere taken die op hun bord liggen, deze nieuwe mensen zo goed mogelijk te begeleiden en te ondersteunen. Je hoopt natuurlijk dat dit een investering is waar je later profijt van hebt, in de vorm van een capabele collega waar je op kunt bouwen. Maar helaas… we kunnen ieder jaar, wat zeg ik? iedere paar maanden(!) opnieuw beginnen met wederom een nieuwe collega inwerken. Als je überhaupt het geluk hebt dat er een nieuwe collega gevonden wordt… 

Onderwijsvernieuwingen
De constante onderwijsvernieuwingen (waaronder het passend onderwijs), die bedacht worden door mensen die zelf niet voor de klas staan, helpen ook niet mee. Iedere onderwijsvernieuwing is een klap in het gezicht van de mensen in het onderwijs, want blijkbaar deden we het daarvoor allemaal niet goed. Bovendien vraagt het weer veel tijd en energie om je er in te verdiepen en het goed door te voeren (zonder extra hulp, financiële middelen of extra uren voor training). Eer je eindelijk het gevoel begint te krijgen het een beetje onder de knie te hebben, komen ze weer met de volgende onderwijsvernieuwing op de proppen. We krijgen nooit eens de tijd en de middelen die nodig zijn om het echt goed te doen, waardoor veel leraren geregeld het gevoel hebben te falen en hun leerlingen en hun collega’s tekort te doen. Je kunt wel raden wat dit gevoel voor effect heeft op de werkdruk die wordt ervaren in het onderwijs. 

Administratieve rompslomp
En tot slot het gebrek aan vertrouwen in de kennis en vaardigheden van de leerkracht, die zich vertaalt in een verantwoordingsplicht, oftewel enorme administratieve last. Niemand is het onderwijs in gegaan omdat ze zo graag groepsplannen en groeidocumenten schrijven. Natuurlijk is het goed dat er af en toe gecheckt wordt of we wel op het goede pad zitten en of we niemand over het hoofd zien. Dat daar enige administratie bij komt kijken daar ontkom je niet aan en iedere baan heeft aspecten in het werk die je gewoon moet doen, leuk of niet. Maar tegenwoordig ben je meer tijd kwijt aan het maken en evalueren van plannen dan dat je daadwerkelijk tijd hebt om ze uit te voeren. Er blijft daardoor steeds minder tijd over voor de kern van ons vak: lessen voorbereiden en geven. Dan vraag je je af voor wie je die plannen eigenlijk schrijft…

Gevolgen

Zoals ik al schreef is de hoge werkdruk ook een gevolg van het lerarentekort. We moeten immers met steeds minder (bevoegde) mensen dezelfde taken uitvoeren. Dit betekent vaak grotere klassen (en dus minder tijd en aandacht per kind, meer nakijkwerk, meer rapporten schrijven en meer oudergesprekken), vaker mensen inwerken of invallers bijstaan, minder tijd voor zaken als remedial teaching, plusklas en interne begeleiding (want deze mensen moeten ook klassen opvangen) en meer tijd kwijt aan schoolbrede taken.

Onderwijskwaliteit
De kwaliteit van ons onderwijs kan niet meer worden gewaarborgd. Kinderen krijgen veel verschillende gezichten voor de klas, waardoor ze minder gezien worden en er minder structuur geboden kan worden. Invallers komen vaak net kijken, hebben nog niet veel ervaring of zijn niet eens bevoegde leerkrachten. Daarmee komt ook de onderwijskwaliteit in het geding. Dat is tenminste als er een invaller gevonden wordt, anders worden ze verdeeld (waarbij ze meestal geen instructie krijgen en de hele dag zelfstandig moeten werken) of zelfs naar huis gestuurd (om de resterende leerkrachten niet nog meer te belasten). Het gebrek aan continuïteit zorgt er ook voor dat kinderen minder leren.

Kansenongelijkheid
Het lerarentekort vergroot de kansenongelijkheid. Nu je als leerkracht overal aan het werk kan, kiezen meer leerkrachten voor een baan op een “witte” school in wijken met hoogopgeleide ouders. Waardoor kinderen van ouders met weinig of geen opleiding nu het hardst getroffen worden. Juist deze kansarme kinderen, die het onderwijs het hardst nodig hebben, worden als het ware ‘gestraft’.

Oplossing

Ik zal niet pretenderen de gouden oplossing te hebben voor het lerarentekort, maar ik heb wel wat ideeën die kunnen bijdragen.

Erkenning
Ik denk dat het allemaal begint met erkenning. Het beroep leerkracht moet weer iets worden om trots op te zijn, wat aanzien heeft in onze samenleving. Zodat kinderen die op het schoolplein zeggen dat hun vader of moeder leerkracht is, daarmee meer indruk maken dan kinderen die zeggen dat hun vader of moeder bankdirecteur is. Zodat jongeren ambiëren ooit zelf leerkracht te worden, omdat dat betekent dat ze echt iets hebben bereikt in hun leven. Zodat leerkrachten die op een feestje tegen onbekenden vertellen dat ze voor de klas staan, vol ontzag worden aangekeken en soms zelfs worden bedankt voor het belangrijke werk dat ze doen. 

Hoe zorgen we daarvoor? 
Om te beginnen met een salaris dat deze erkenning, van hoe belangrijk en bijzonder ons werk is, weerspiegelt. Daarnaast met een, door de overheid gefinancierde, (media)campagne die ons niet langer neerzet als rupsjes nooit genoeg of als mensen met een vak dat iedereen uit kan oefenen, maar als de onbezongen helden van de samenleving, die de basis leggen voor onze gezamenlijke toekomst. 

Werkdruk
Daarnaast moet de werkdruk aangepakt worden.

Hoe zorgen we daarvoor?
Om te beginnen met de komende jaren eens geen grote onderwijsvernieuwingen of curriculumaanpassingen door te voeren.
Daarnaast door flink wat van de administratielast te verlichten. Laat de schoolinspectie voor mijn part een week meelopen in de school in plaats van één dag, zodat de nadruk ligt op wat ze zien in de praktijk in plaats van op wat ze zien op papier. 
En niet te vergeten door voldoende hulp in de school. Op iedere school zou tenminste een gymleerkracht, een intern begeleider, een remedial teacher, een onderwijsassistent en een conciërge moeten zijn. (Uiteraard moet hier dus ook voldoende financiering voor zijn.)

Lerarenopleiding aanpakken
Tot slot moeten we ervoor zorgen dat we niet alleen méér studenten hebben die zich aanmelden bij de pabo, maar vooral ook dat ze deze opleiding afmaken én niet na een paar jaar gedesillusioneerd het onderwijs alweer verlaten.
Hoe zorgen we daarvoor?

Door de pabo anders in te richten. Pabo’s zouden nog veel meer moeten samenwerken met basisscholen. Laat om te beginnen studenten het laatste jaar al drie of vier dagen zelfstandig voor een groep staan, zodat ze echt alle verantwoordelijkheden meekrijgen die horen bij het draaien van een groep, en daarnaast nog één dag zelf naar school gaan. Die dag op school heb je een soort mentorgroep om problemen waar je tegenaan liep in je onderwijspraktijk te bespreken en samen na te denken over oplossingen. Die dag op school kan je onder begeleiding praktische zaken doen die je nog niet eerder hebt gedaan, zoals een groepsplan schrijven of een groeidocument invullen. En die dag op school heb je één op één gesprekken met je mentor/ coach die je helpt een betere leerkracht te worden. Laat deze mentor /coach met iedere student uit zijn mentorgroep minimaal 8u per maand (bijvoorbeeld 4x 2 uur of een hele dag van 8u-16u) meelopen in de onderwijspraktijk. Zo krijg je echt een beeld van hoe je studenten het doen, kan je direct feedback geven op wat je ziet en zo delen pabo’s en basisscholen meer de verantwoording voor het praktijkgedeelte van de opleiding. 

Daarnaast moet de opleiding minder bestaan uit tig portfolio’s schrijven en reflecties op papier zetten. De pabo is echt een papieren beest en dat schrikt veel studenten, met name veel mannen, af. In het onderwijs wordt er op gehamerd dat je verschillende werkvormen moet gebruiken om je leerlingen betrokken te houden. Raad eens wat? Dat geldt ook voor studenten en ja, ook op de pabo. 

Tot slot zou ik het pabostudenten niet langer verplichten om in alle bouwen stage te lopen. Veel mannen (en ook sommige vrouwen) knappen af op een verplichte stage bij de kleuters. Andersom zijn er ook studenten die erg ongelukkig worden van een stage in de bovenbouw. Het is nu al wel zo dat je halverwege je studie kunt kiezen voor een specialisatie in het jonge of het oude kind, maar in de praktijk zit hier weinig verschil in wat betreft de lessen die je krijgt en wat je er na de pabo mee kunt doen. Maak minors “jonge kind” en “oude kind” en richt dit in zoals nu ook met de “gymminor” gedaan is: je mag alleen lesgeven in de groepen 1-4 met de minor “jonge kind” en alleen in groepen 5-8 met de minor “oude kind”. Onderwijs en toets in die minors de kennis en vaardigheden die specifiek nodig zijn voor deze bouwen, zo krijgen we weer echt specialisten voor de klas. Dit betekent ook dat studenten die alleen de minor “jonge kind” doen, alleen een rekentoets hoeven maken met een beheersingsniveau van groep 5/6, (in plaats van beheersingsniveau van brugklas 1/2, zoals wel voor de minor “oude kind”). Zo voorkom je dat je goede, bevlogen onderbouwleerkrachten de deur wijst, alleen omdat ze niet zo goed kunnen delen of vermenigvuldigen met breuken bijvoorbeeld. (Overigens moet een voldoende taal- en spellingsniveau wel een vereiste blijven voor àlle pabostudenten.) Studenten die zich niet willen beperken tot lesgeven in vier groepen, kunnen ervoor kiezen om beide minors te volgen.

Slot
Nogmaals: Ik heb niet de illusie dat ik de ‘geheime code’ heb gekraakt die plots het tij zal keren in onderwijsland. Maar ik vind het belangrijk dat we niet alleen klagen over problemen en staken voor meer geld, maar ook nadenken over oplossingen en toepassingen van dat geld wanneer het komt. Ik heb me voorgenomen met mijn ideeën over de lerarenopleiding naar de dichtstbijzijnde pabo te stappen, eens kijken of er oor naar is. En zolang er in Den Haag geen gehoor wordt gegeven aan onze noodkreten vanuit het onderwijs, zullen we in ieder geval actie blijven voeren. Voor onszelf en onze collega’s, maar vooral voor de kinderen en hun toekomst.

Nikki van Veenendaal
(Juf groep 7/8 van een Jenaplanschool)

erkenning, gevolg, lerarenopleiding, lerarenstaking, luizenbaan, onderwijskwaliteit, oorzaken, oplossing, salaris, Werkdruk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

En blijf op de hoogte van alle nieuwe producten en acties!

© 2020 MEES&CO, All Rights Reserved.